Spring naar inhoud

Overdaad schaadt – Bob Dylan’s Triplicate (2017)

11/04/2017

Allereerst een disclaimer: behalve het complete oeuvre van Bob Dylan heb ik ook het complete oeuvre van Frank Sinatra al jaren in de kast staan. Met name het werk van de jonge Sinatra (waarvan de de 4CD A Voice in Time: 1939-1952 uit 2007 een fraai, compact en thematisch geordend overzicht biedt) en de beroemde conceptalbums voor Capitol Records uit de jaren vijftig heb ik jarenlang beluisterd, lang voordat Dylan zich aan dit repertoire waagde. Anders dan veel (Europese) Dylanliefhebbers ben ik dus zeer vertrouwd met het repertoire dat bekend staat als het Great American Songbook.

Dylanliefhebbers houden doorgaans vooral van het rammelende geluid van veel van zijn platen, en van het repertoire dat, zeker de afgelopen twintig jaar, diep geworteld is in zompige blues en rammelende country, ballades en folk. Tegen die achtergrond is de overstap naar het lichtere en schijnbaar oppervlakkigere Sinatra-repertoire erg groot.

Het eerste Dylanalbum met Sinatra covers Shadows in the night kwam uit in 2015. Ik zag het destijds als een geslaagd en mooi uitgewerkt tussendoortje in Dylans discografie. Veel overtuigender dan het kerstalbum Christmas at the heart dat in 2009 verscheen. De titel interpreteerde ik als een subtiele maar ondubbelzinnige vorm van zelfrelativering omdat deze verwijst naar Strangers in the Night, in 1966 een van de laatste grote hits van een ouder worden en zowel vocaal als qua populariteit op zijn retour rakende Sinatra. Hoewel wereldberoemd en inmiddels wellicht klassiek, is Strangers in the Night niet veel meer dan een niemendalletje in het werk van Sinatra.

Dat Dylan zijn Great American Songbook covers serieuzer nam dan dat bleek vorig jaar toen er een vervolg verscheen onder de titel Fallen Angels. Het album is luchtiger dan zijn voorganger, minder zwaarmoedige liedjes met uitgeklede versies van de originele orkestarrangementen en meer country-invloeden en, in mijn oren, ook meer nadruk op de joodse wortels van zowel Dylan als sommige van de liedschrijvers. Het bevat opnieuw een aantal zeer geslaagde covers. Met het recent verschenen Triplicate doet Dylan er nog een flinke schep bovenop. Het album bestaat uit drie albums die ieder tien tracks bevatten. Dertig titels in totaal dus, verdeeld over Til the Sun Goes DownDevil Dolls en Comin’ Home Late. Daarnaast verscheen op zijn website het uitgebreidste interview dat Dylan in jaren gegeven heeft.

Met alle aandacht die Dylan recent gekregen heeft rondom de aankondiging en uitreiking van de Nobelprijs voor de literatuur en de aanhoudende populariteit van het Great American Songbook, met name in de Angelsaksische wereld, zal Triplicate commercieel ongetwijfeld succesvol zijn. Toch vervreemdt Dylan zich hiermee niet voor het eerst van zijn eigen fanbase; recensies in de algemene pers zijn over het algemeen positief, reacties van Dylanliefhebbers een stuk lauwer. Onder hardcore fans zijn er weinigen die begrijpen waarom Dylan in iets meer dan twee jaar tijd 52 covers van dit repertoire uitbrengt. Ook het interview geeft geen werkelijk nieuwe inzichten in het hoe en waarom van dit album, anders dan dat Dylan dit repertoire ziet als een van de absolute hoogtepunten uit de rijke Amerikaanse muziekgeschiedenis, en er op zijn manier meer recht aan wil doen dan recent door anderen gedaan is.

Toch is Triplicate geen slechte plaat. Dylan heeft zich vocaal bekwaamd in het repertoire, en Triplicate klinkt zowel in zang- als in opnametechnisch opzicht beter dan zijn voorgangers. Zeker Shadows in the Night wordt geplaagd door de hoorbare beperkingen van Dylan’s zang, en technische beperkingen van liveopnamen in de studio met minimale overdubs (hoorbare brom van een gitaarversterker in het openingsnummer I’m a fool to want you en Dylan’s hoorbare ademhaling gedurende vrijwel het hele album). Daarnaast heeft Dylan voor Triplicate voor het eerst ook echt swingende Sinatra songs opgenomen. Met name Day in, day out, The best is yet to come, I guess I’ll have to change my plans klinken aanstekelijk, zonder ook maar een fractie van de zelfingenomen kitscherigheid waardoor een deel van het latere werk van Sinatra en een groot deel van andere recente Great American Songbook covers geplaagd worden.

En toch wringt het een beetje dat een van de grootste singer-songwriters uit de popmuziek die beroemd geworden is met diepzinnige en actuele poëtische teksten zich schijnbaar uit gemakzucht laaft aan dit lichtere, populaire en oppervlakkigere repertoire. Vanuit marketingtechnisch oogpunt en imagomanagement was het ongetwijfeld beter geweest als Dylan zich beperkt had tot één album met, zeg achttien, van deze titels, liefst als soundtrack van een mooi gefilmde en licht nostalgische film die de tijd van dit repertoire op een mooie manier in beeld gebracht had. Met de 52 uitgebrachte titels voor de genoemde albums is er meer dan genoeg materiaal voorhanden om daar een uitstekend en heel genietbaar album van de te maken. Dylanliefhebbers hadden dan genoegzaam kunnen constateren dat het Great American Songbook zeker in Dylan’s platen vanaf Love & Theft uit 2001 een hoorbare inspiratiebron was, en dat het dus in zekere zin passend was. De overige tracks hadden dan op een later moment uitgebracht kunnen worden als onderdeel van de schier-oneindige bootlegserie en waren in die context ongetwijfeld ook goed ontvangen.

Maar goed, Bob Dylan zou Bob Dylan niet zijn als hij zich ook maar iets aan zou trekken van dit soort overwegingen. Echte Dylanliefhebbers respecteren dat en genieten van het vele moois dat op al deze platen te horen is en nemen de rest voor lief.

Advertenties

In Memoriam Leonard Cohen (1934-2016)

11/11/2016

Going home
Without my sorrow
Going home
Sometime tomorrow
Going home
To where it’s better
Than before

Going home
Without my burden
Going home
Behind the curtain
Going home
Without the costume
That I wore

(uit: Going Home, Leonard Cohen, Old Ideas, 2012)

Vanochtend werd ik, zoals velen, wakker met het nieuws dat Leonard Cohen eerder deze week overleden is. Hoewel ik hem nooit persoonlijk ontmoet, laat staan gekend heb, zijn zijn persoon en werk zo belangrijk voor me (geweest), dat ik hem hier wil eren met een persoonlijk in memoriam.

De naam Leonard Cohen ken ik zolang ik me kan herinneren. In eerste instantie door Suzanne dat ik in de Nederlandse versie vertaald door Rob Chrispijn en gezongen door Herman van Veen sinds mijn vroegste kindertijd ken. Later ook in de originele versie van de meester zelf. In het voorjaar van 1999 kocht ik The Best of Leonard Cohen. De CD zat weken- zo niet maandenlang vrijwel onafgebroken in mijn cd-speler. De duistere haast onheilspellende romantiek, de rijke taal en het subtiele gevoel voor humor (“You told me again you prefered handsome man, but for me you’d make an exception” uit Chelsea Hotel), ik kon er geen genoeg van krijgen. In de maanden en jaren die volgden, kocht ik geleidelijk aan zijn albums. Eerst Songs of Love and Hate, Recent Songs en New Skin for the Old Cermony, Ten New Songs toen het uitkwam in 2001 en later The Future, I’m your man en andere. Ze zouden een onlosmakelijk deel uit gaan maken van de soundtrack van mijn studententijd.

Voor mijn afstudeerscriptie over quantummechanisch verstrengeld licht overwoog ik de zin “There is crack in everything, that’s how the light gets in” uit Anthem als motto op te nemen. Vanwege tijdsdruk en omdat ik twijfelde of dit echt zijn mooiste frase over de betoverende kracht van licht was, kwam het er niet van. In mijn proefschrift in 2010, over structuren van licht en hun quantummechanische eigenschappen, maakte ik het meer dan goed door de tekst van Love Itself, dat als lied op Ten New Songs staat en als gedicht in Book of Longing met toestemming van de uitgever, en daarmee tenminste impliciet van auteur, integraal op te nemen.

In 2008 ging de lang gekoesterde wens om Leonard Cohen live te zien in vervulling. Het concert in de Westerpark werd een avond om nooit te vergeten. Donkere Hollandse luchten met de voortdurende dreiging dat het zou gaan regenen en zijn stem, repertiore en persoonlijkheid. Later volgden concerten in Brussel (2008), Antwerpen (2009) en Gent (2010 en 2012). In Antwerpen wist ik een originele setlist van het podium te bemachtigen die sindsdien als relikwie ingelijst in het kleinste kamertje hangt. Tijdens de concerten toonde hij zich een warme en innemende persoonlijkheid die het publiek in de grote zalen waar hij optrad moeiteloos aan zich wist te binden, en urenlang rondleidde door zijn rijke oeuvre.

Hoewel duisternis en dood  vanaf zijn eerste gedichten en platen en leidend motief is geweest, leek Leonard Cohen tot het verschijnen van zijn laatste album enkele weken geleden onsterfelijk. Ook dat album zit al weer drie weken onafgebroken in mijn CD-speler. Het is onmiskenbaar de zwanenzang van een man die voelde en wellicht wist dat zijn einde nabij was. Toch is het moeilijk te geloven dat dat einde zo snel gekomen is.

Leonard Cohen verbond het wereldse met spirituele, het licht met het donker, het universele met het particuliere, het erotische met het religieuze en humor en levensvreugde met de zwaarmoedige kanten van het bestaan. Het lijkt tegenstrijdig, maar dat is het allerminst. Het is als het leven zelf. Ook in de jaren dat Leonard Cohen een teruggetrokken bestaan leidde, heeft zijn werk nooit aan kracht ingeboet, en er is geen reden om aan te nemen dat dat nu wel zal gebeuren. In tegendeel zou ik zeggen.

Opa (35) vertelt over vroeger: “Vinyl in the Nineties”

17/04/2016

Gisteren was het Record Store Day. De dag viel dit keer samen met de platenbeurs in Utrecht. De platenbeurs liet ik schieten in verband met andere verplichtingen, maar de Record Store Day was aanleiding om rond de middag de Rotterdamse platenwinkels weer eens binnen te wandelen. Bij Velvet was het “met de benen buiten hangen”, livemuziek op de eerste verdieping en dringen voor de platenbakken op de begane grond. De platen vlogen de deur uit, zeker de veelal prijzige speciale uitgaven door deze dag, en de de kassa rinkelde.

Met weemoed dacht ik aan hoe het vroeger was…

In 1991 kreeg ik als 11-jarige mijn eerste platenspeler. Enkele maanden later kocht ik mijn eerste platen. In die tijd was het vinyl net verdwenen uit de grote winkels. Het werd verdrongen naar marktjes, kleine, stoffige en vaak rokerige platenzaakjes, en speciale platenbeurzen. Het trok dito publiek (mijzelf incluis): studentikoos, linksig en alternatief tegen wil en dank, maar met een grote passie voor platen en muziek. Vinyl was er voor een kleine schare liefhebbers, voor de mainstream was er de CD. Klasgenoten keken mij meewarig aan als ik ze mijn grote retro stereocombinatie uit de jaren zeventig met dito luidsprekers liet zien. Platenspeler, tuner en versterker ineen, waar ik dankzij een verloopkabeltje naar een antieke DIN-aansluiting toch nog een compact cassetterecordertje op aan kon sluiten. Toen ik een paar jaar later behalve een nieuwe CD-speler en versterker ook een nieuwe platenspeler kocht, werd dat als een curieuze rariteit geaccepteerd.

Vinyl was uit. Van mijn generatie (1980) had vrijwel niemand ooit anders gehoord dan versleten platen, afgespeeld met versleten naalden op stoffige draaitafels. Het geluid was navenant: gekraak, vervorming, overslaan en platen die bleven hangen, waren eerder regel dan uitzondering. Bovendien moest je iedere twintig minuten opstaan om zo’n ding om te draaien dan wel een nieuwe op te zetten, en werd je geacht platen met de grootst mogelijke voorzichtigheid te behandelen (schone handen, alleen vastpakken bij de rand of, indien nodig, op het label en direct opbergen in een speciale beschermende hoes). Platen draaien was vrijwillig afzien. Tweedehands en zelfs nieuwe platen waren stukken goedkoper dan dezelfde albums op CD. Degelijke Philips platenspelers uit de jaren zeventig kostten op een koninginnedagmarkt niet meer dan een gulden of vijf. De beste Dual en Thorens draaitafels wisselden voor een paar tientjes van eigenaar.

De markt voor platen werd in stand gehouden door een kleine groep gepassioneerde liefhebbers. Niet eens zo zeer vanwege de geluidskwaliteit, hoewel veel oude platen echt een stuk beter klinken dan geremasterde CD’s met hun compressie, de-noise en hysterische hoge tonen, maar vooral vanwege de authenticiteit van het object. Een mooie oude plaat, geperst in het land en in de tijd waarin de muziek opgenomen werd, draagt die geschiedenis in zich. Noem het romantisch, nostalgisch of naïef, maar Amerikaans, Brits of Frans vinyl uit de jaren vijftig en zestig was en is voor mij echt de ultieme en meest authentieke manier om niet alleen de muziek, maar ook een stuk muziekgeschiedenis te (her)beleven.

Inmiddels is het tij voor vinyl dan ook aardig gekeerd. In 1998 draaide ik mijn eerste gebrande CD’s, in 2000 beleefde de CD zijn absolute hoogtepunt in termen van verkoopcijfers en in 2001 kwam de eerste iPod uit. Daarna ging het snel bergafwaarts met de verkoop van CD’s. De meeste fysieke muziekcollecties groeiden niet meer vanaf eind jaren negentig omdat we massaal overstapten op al dan niet legaal gedownloade muziek. De CD verdween geleidelijk uit beeld. Tegelijkertijd beleefde de markt voor platen de afgelopen tien jaar een merkwaardige opleving.

Vinyl is een gimmick geworden. Een gematerialiseerde illusie van authenticiteit, kwaliteit, ervaring en beleving in een tijd waarin mensen het gevoel hebben dat niets is wat het lijkt. Het trekt een koopkrachtig en, eerlijk gezegd, wat hebberig publiek. De prijzen van platen die je vroeger met geluk voor een paar gulden uit de bakken in een stoffig winkeltje trok, gaan tegenwoordig door het plafond (zo maar wat voorbeelden uit eigen collectie: een originele Britse persing van Closer van Joy Division op heel donker rood doorschijnend vinyl, vroege Britse persingen van de klassieke albums van Fairport Convention, originele Franse en Amerikaanse monopersingen van Dylans Blonde on Blonde, een originele Amerikaanse persing van het tweede self-titled album van Townes van Zandt op het Poppy label, een originele Amerikaanse persing van Marvin Gaye’s What’s Going On). Om over originele persingen van albums uit de jaren negentig nog maar te zwijgen (opnieuw uit eigen collectie: Time out of Mind van Bob Dylan, The Boatman’s Call van Nick Cave, beide uit 1997 en The Future van Leonard Cohen uit 1992).

Met een flink aantal moeilijke jaren achter de rug, springen muziekindustrie en -handel hier gretig op in. Vrijwel alle nieuwe albums verschijnen op vinyl, oude albums worden opnieuw uitgebracht en er verschijnen allerlei bijzondere uitgaven. De prijzen zijn fors, en toch is het vinyl, mede vanwege de beperkte productiecapaciteit, in veel gevallen nauwelijks aan te slepen. Voorlopig hoogte/dieptepunt is het laatste album van David Bowie waarvan in eerste instantie al vele duizenden exemplaren op de markt werden gebracht. De platen waren vrijwel direct uitverkocht en op internet werd het album verkocht voor een veelvoud van de oorspronkelijke prijs. In allerijl werd een herpersing uitgebracht, waarvan de vele tientallen exemplaren die bij de Mediamarkt in Rotterdam stonden ook in een mum van tijd uitverkocht waren. Kort daarna werd het album op internet weer verhandeld voor meer dan het dubbele van de oorspronkelijke verkoopprijs. Met passie voor muziek of authenticiteit heeft dit naar mijn gevoel niet veel meer te maken. Voor de jaarlijkse Record Store Day worden vele, vooral gecreëerde, rariteiten uitgebracht en verkocht: herpersingen, bijzondere liveopnamen en demo’s. Niks mis mee, maar in mijn beleving is de meerwaarde van een uitgave op vinyl in de meeste gevallen gering.

Bij Velvet vond ik gisteren wat ik zocht en de andere platenwinkels liet ik op deze dag maar even voor wat ze waren… Eenmaal thuis bleek mijn aankoop al weer voor bijna drie keer de prijs op Marktplaats aangeboden te worden.

Record hunting in Japan: A truly rare collector’s gem at a flea market price

28/11/2015

During a recent trip through Japan, which obviously included digging out record shops in Tokyo, Hiroshima, Kobe, Osaka, Kyoto and Nagoya, I stumbled upon a very early (2E/1A) US pressing of Bob Dylan’s classic Blood on the Tracks. It includes otherwise unreleased and radically different versions of Lilly, Rosemary and the Jack of hearts and If you see her, say hello. The existence of only a mere handful of copies of this pressing has been reported on the internet, and presumably it is one out of a few tens, or, perhaps, a few hundred at most.

I have known Bob Dylan’s classic Blood on the Tracks since I bought the CD as a teenager in the late nineties. While Blonde on Blonde, a vintage mono vinyl copy of which I had obtained a few months before, was an instant hit for me, Blood on the Tracks had to grow on me, presumably because it is a very mature album. Much more mature than I was at the time.

It took me a while to fully appreciate the somewhat melancholy and bitter tone of the album, and only after I had seen Bob perform live for the first time in Rotterdam in the fall of 2000, I bought a vintage vinyl copy of Blood on the Tracks. It was an original Dutch pressing with the classic, solid orange, CBS labels and a thick dark red, maroon inner sleeve. I really enjoyed hearing an original vinyl incarnation of the album for the first time.

Reading about the album on the internet, I learned that, weeks before the final release in early 1975, Bob had decided to re-record five of the songs. This history is well-known among Dylan fans and scholars; all songs were recorded in a New York Columbia studio in September 1975. Bob received a test pressing of the complete album, approved it, and initial preparations were done to release it. However, Bob changed his mind and decided to re-record five of the songs in a Minneapolis studio between Christmas and New Year’s Eve. The sessions were produced by his brother David Zimmerman. Bootleg versions of the original album, presumably sourced from one of the handful of copies of the test pressing that are known to exist, have circulated for decades. A few alternative takes of the unreleased New York recordings were released on Bootleg Series 1 – 3 in 1991.

A bootleg CD with the complete New York recordings of Blood on the Tracks was one the first items I bought on Ebay in late 2000. Paypal was not yet common in the Netherlands at the time and I am not even sure if it was available at all, so I paid by getting US dollars cash from my bank and sending them enclosed in a letter to the seller in the US. A few weeks later I received the CD in return, and I was excited to hear how the complete set of New York recordings gave the album a much more consistent sound and feel. I can imagine that Bob wanted to break the somewhat monotonous sound by replacing some of the recordings by more energetic slightly more up-tempo versions of the same songs, but the original recordings definitely have their merits in their own right.

Around the same time I decided that, at least to me, it made the most sense to only buy vintage US pressings of Bob Dylan’s albums. In the early spring of 2001 I found an original US copy of Blood on the Tracks at the biannual Utrecht record fair. The record looked like new, the cover was in a beautiful condition and the price was very reasonable, so I bought it without further thought.

It came with a standard plain white inner sleeve and only on the way home I realized that my Dutch pressing came with the thick, maroon inner sleeve, and that the original US pressing most likely would have included a similar inner sleeve. I posted this on one of the Bob Dylan forums (I think it was the Expecting Rain forum, but unfortunately I cannot find the thread anymore) and the replies confirmed what I already knew: Original US copies of Blood on the Tracks came with a thick maroon inner sleeve. The record played as nice as it looked and the cover was also in a much better shape than the one of my so-so Dutch copy, so it was well worth the money. However, I always felt a bit frustrated that I had forgotten about the inner sleeve when I bought the record. Chances are I still would have bought it, but then it would have been a deliberate choice to buy an incomplete copy rather than something I had overlooked.

The solution would have been straightforward: just buy a second copy on Ebay, but it always seemed a bit ridiculous to spend a few tens of dollars for a nice original copy and another ten to twenty dollars to have it shipped to Europe, just to obtain an original maroon US inner sleeve. I always hoped to find a 1975 vintage US copy of the album with the inner sleeve in reasonable shape at a reasonable price, either at a record fair or in a record shop nearby, in the US, or somewhere around the globe. As Dylan’s record sales at the time were (still) relatively modest at the time and at least three different versions of the record sleeve were released in the first two years after the initial release, original copies are relatively rare, and I just never stumbled upon one until last week in Tokyo.

During the past three weeks, we made a trip though Japan, which, besides a lot of sightseeing and visiting temples, obviously also involved digging out record shops in Tokyo, Hiroshima, Kobe, Osaka, Kyoto and Nagoya. The very last record I bought on the last day in Tokyo was an original US pressing of Blood on the Tracks. The record looked a bit dusty, but near mint otherwise. The cover showed minor wear and some signs of the smoking habits of one of its previous owners but, most importantly, the maroon inner sleeve was in mint condition. The price was not unreasonable at all for a relatively rare original US copy of this Bob Dylan classic, so after almost fifteen years I had finally found what I was looking for.

Already in the record shop I noticed the “1A” stamped in the dead part of the wax (close to the record label), which indicates it is the earliest possible pressing of the record. The “A” refers to the lacquer the actual stamper was made from, and the “1” to the version of the master tape the lacquer was cut from, so “1A” means it derives from the first lacquer cut from the first version of the master tape. Somehow I seemed to remember that this could indicate the inclusion of the (officially) unreleased New York masters of Lilly, Rosemary and the Jack of hearts and If you see her, say hello, but this seemed too good to be true and, for the time being, I assumed that my memory must have been off regarding this. I was very happy to finally have found a nice original US copy with the inner sleeve almost fifteen years after I had bought the first one. The A-side of the record has “2E” stamped in the dead wax, so it derives from the fifth lacquer cut from the second version of the master tape.

Back home I was nothing less than excited to find out that this particular copy really includes the New York masters of all five tracks on side B, including the officially unreleased and both lyrically and musically radically different versions of Lilly, Rosemary and the Jack of hearts and If you see her, say hello.

I re-read the pages about variations in original US pressings of Blood on the Tracks on searchingforagem.com and learned what I vaguely remembered: At the Columbia pressing plant in Santa Maria, CA the B-sides of the first commercial copies of the Blood on the Tracks were accidentally pressed from the stamper used for the test pressing, which was made at the same plant. The 1A/1A stampers used for the test pressing were supposed to be destroyed, but apparently this did not happen before the first few commercial copies were made. It is not known how many of such copies were pressed and shipped to stores, but since all known copies have 2E/1A stampers at most the few thousand copies that are usually pressed from a single pair of stampers.

Most likely, however, there are much less. Searchingforagem.com reports the existence of four, one of which was found by a reader of the Goldmine magazine. As far as I can find, no other copies have been found nor have they been offered (as such) on Ebay. On the other hand, a pressing with different versions of two songs is much harder to identify than one of the 216 copies of Blood on the Tracks that were pressed with a completely different album on the A-side, so it could well be that there is a few more tens or even hundreds around. But still, as far as I can find my copy is only the fifth copy of this rarity that is known to exist.

“Bel mijn vriendje Randy dat ik kom … “ Randy Newman in het Muziekcentrum in Eindhoven, 10 oktober 2015

12/10/2015

Soms lopen de dingen zoals ze lopen. Vrienden van ons hadden kaarten voor het concert van Randy Newman in Eindhoven afgelopen zaterdag, maar waren door omstandigheden zelf helaas verhinderd. Toen de vraag kwam of wij iemand wisten die in hun plaats zou willen gaan, twijfelde ik niet lang. Ik had zaterdag afgesproken met mijn oudste vriend (in termen van anciënniteit, we kennen elkaar ruim drieëndertig jaar) en vroeg hem of hij mee wilde. Hij vond het meteen een leuk idee. Onderweg van Rotterdam naar Eindhoven genoot ik zaterdagmiddag van het mooie nazomerweer. Zaterdagavond zat ik samen met hem op rij acht in het Eindhovense muziekgebouw.

De klassieke albums die Newman in de jaren zeventig uitbracht (Sail Away, Good Old Boys en Little Criminals) staan hier sinds jaar en dag in de platenkast en worden op gezette tijden gedraaid. Zijn meest recente album Harps and Angels kocht ik niet lang nadat het uitkwam in 2008, Bad Love uit 1999 kreeg ik ooit met sinterklaas en in 2013 kocht ik ook Born Again uit 1979. Ik kan dus rustig stellen dat ik Randy Newman de laatste jaren met meer dan gepaste interesse gevolgd heb, maar van de korte reeks soloconcerten die hij nu in Europa geeft, had ik nog niet vernomen. Het aanbod om de kaarten over te nemen was dus een onverwachte en mooie kans om Randy live aan het werk te zien. De gevraagde tegenprestatie was “een verslag (max half A4-tje inclusief statistieken) van het concert”. Bij deze…

Het muziekgebouw in Eindhoven werd begin jaren negentig geopend en houdt het midden tussen een concertgebouw van internationale allure en een gezellig provinciaal theater. De akoestiek is uitstekend dankzij een doordacht zaalontwerp en hangende houten panelen. Het is een “kleine grote zaal” die de knusheid van een theaterzaal combineert met een capaciteit die het mogelijk maakt grote namen langs te laten komen (o.a. Bob Dylan en Marianne Faithfull zullen er binnenkort acte de présence geven). Kortom: een prima locatie voor een concert als dit.

Na een kort etentje elders in de binnenstad, zaten we keurig op tijd in de zaal. Zonder aankondiging of andere poeha ging het zaallicht rond tien voor half negen uit, en kwam een heer op leeftijd (71) met dito loopje wat nonchalant het podium op om aan de vleugel te gaan zitten. Hij droeg een ruim bemeten zwart overhemd met korte mouwen en een bandvormig motief aan de voorkant over een net niet vale zwarte broek en bijpassende schoenen. Ook decor en podiumlicht waren minimalistisch van opzet. Het budget was duidelijk geïnversteerd in een piano want er stond een prachtige zwart glanzende concertvleugel van Steinway and Sons op het podium. Aan de vleugel was Randy duidelijk in zijn element.

IMG_1903[1]

Hij opende met Birmingham dat in Nederland waarschijnlijk een van zijn bekendste liedjes is en al snel bleek dat stem noch pianospel veel aan kracht hebben ingeboet. In tegendeel haast. Na Birmingham volgde een scherp en venijnig lied over Poetin dat hij aankondigde als “A new song about a great leader.” Andere klassiekers als Short people en You can leave your hat on dat vooral bekend is in de uitvoering van Joe Cocker, kwamen in de eerste set aan bod, afgewisseld met nieuw en minder bekend repertoire. Bij You can leave your hat on is het vrijwel onmogelijk niet in gedachte de eind vorig jaar overleden Joe Cocker te horen. Randy merkte op dat diens succes met het lied er vooral aan te danken was dat Cocker het een paar tonen hoger zong. Dat had hij zelf ook wel kunnen bedenken. Toch een impliciet eerbetoon dus…

De kracht van veel van het werk van Randy Newman zit er wat mij betreft in dat hij balanceert op de grens van wat confronterend en pijnlijk waar is, en wat ironisch en soms ronduit hilarisch is. Gevoelige liedjes hebben een humoristische of cynische ondertoon en grappige liedjes bevatten vaak even pijnlijke als absurde waarheden. Newman maakte zowel voor zijn debuut als zanger als daarna furore als arrangeur en componist, en dat is te horen. Zijn albums klinken toegankelijk maar hebben een muzikale en harmonische rijkdom die in veel populaire muziek ontbreekt. Zijn pianospel heeft een zelfde soort dubbelzinnigheid als zijn teksten. Mooie en originele harmonieën gecombineerd met staccato loopjes en vet aangezette akkoorden die vaak betekenisvol en soms ronduit grappig zijn.

IMG_1905[1]

Het publiek mocht meezingen in I’m dead but I don’t know it dat werd ingeleid met de observatie dat vrijwel alle zangers en bands die eind jaren zestig doorbraken en nog in leven zijn, nog steeds optreden, in sommige gevallen inmiddels decennia na hun eerste afscheidstournee, terwijl velen uit de jaren tachtig en negentig vergeten en verdwenen zijn. Een conclusie die we grappig genoeg zelf tijdens het eten ook getrokken hadden. De door het publiek gezongen koralen “He’s dead, he’s dead” moesten dan ook vooral venijnig en gemeen klinken. Na een mooie uitvoering van Guilty werd na een klein uurtje met Sail Away de pauze op passende wijze ingeluid.

De pauze was een mooi moment om een indruk te krijgen van het publiek dat Randy Newman trekt. Voor het overgrote deel (schatting: minstens 80%) fans en liefhebbers van het eerste uur die inmiddels zelf ook op gevorderde leeftijd zijn. Een tikje studentikoos in de klassieke zin van het woord, maar verzorgd tot in de puntjes. Heren met keurige grijzende coupes, dames met keurig geverfd haar, veel designbrillen, merkkleding, chique schoenen en colberts en frivolere jasjes. Links gebleven, maar verre van onbemiddeld zal ik maar zeggen… De rest van het publiek was overwegend duidelijk jonger, vooral twintigers en jonge dertigers. Ook studentikoos en in sommige gevallen vermoedelijk daadwerkelijk nog studerend. Veertigers en vijftigers waren ondervertegenwoordigd. Niet lang na onze 35e verjaardagen zijn we dus echt oudere jongeren. Toch wel confronterend, en ook al een onderwerp waar we het tijdens het eten over hadden.

IMG_1902[1]

De tweede set was ingetogener van toon en werd geopend met Kingfish dat net als Birmingham op Good Old Boys staat. Lonely at the top, ooit geschreven voor maar nooit uitgevoerd door Frank Sinatra, won aan zeggingskracht door de ingetogen pianobegeleiding en de rijpere stem. Na een mooie uitvoering van Louisiana 1927 en Polical Science werd de tweede set afgesloten met Where is my wandering boy dat voor zover ik weet nooit op plaat verscheen. Na een uitbundige staande ovatie volgde een toegift. Een overslaande stem bij de laatste hoge noot in Simon Smith and the Amazing Dancing Bear verraadde dat het na bijna tweeëneenhalf uur zingen en spelen in ieder geval wat de 71-jarige stem van deze legende betreft wel mooi geweest was, en met I think it’s going to rain today werd het concert passend afgesloten. Buiten was koud en helder, en voor het eerste een beetje winters.

Het was een mooie en memorabele avond, waarvoor dank!

Een ander Joods geluid: Leonard Cohen als ongekroonde koning van de liftmuziek

07/03/2015

Lang voordat Leonard Cohen debuteerde als zanger, was hij een gevierd dichter en schrijver en, hoewel zijn eerste LP Songs of Leonard Cohen uit 1968 van zo’n grote klasse is dat deze ongetwijfeld ook een blijvende indruk achter gelaten had als het daarbij gebleven was, zou het nog even duren voor de dichter en liedschrijver zijn potentieel als zanger en performer volledig ontgonnen had. Zijn debuut klinkt duister en is, zeker voor de tijd waarin het verscheen, erg sober van opzet. Het sonore stemgeluid van Cohen wordt weliswaar omlijst met vrouwelijke achtergrondstemmen, maar de instrumentatie zelf is betrekkelijk eenvoudig. De opvolger Songs from a Room, die een jaar later verscheen, klinkt nog soberder, op het Spartaanse af. Door het vele optreden ontwikkelde Leonard Cohen zichzelf als gitarist en met name als zanger. Op het klassieke Songs of Love and Hate uit 1971 klinkt hij zelfverzekerder en indringender. Het album is een absoluut hoogtepunt in zijn vroege oeuvre.

Op “New Skin for the Old Ceremony” uit 1974 klinkt de instrumentatie rijker en eigener; geworteld in de Europees-Joodse muziektraditie en met elementen uit de hedendaagse folkmuziek. Het daarop volgende “Death of a Ladies’ Man” werd geproduceerd door Phil Spector en had Cohens ultieme integratie in de popmuziek kunnen bewerkstelligen, ware het niet dat Cohen en Spector hooglopende ruzie kregen en de plaat daardoor uiteindelijk in onvoltooide vorm uitgebracht werd. Het album geldt terecht als een van zijn zwakkere platen, en dat ligt zeker niet aan het materiaal dat Cohen aanleverde.

De ontwikkeling van Leonard Cohen als zanger en muzikant culmineerde in 1979 in het album “Recent Songs” en de tournee waarmee het ondersteund werd. Het studioalbum is van ongekend hoog niveau. De live-registratie van de tournee die meer dan twintig jaar later onder de titel “Field Commander Cohen” op CD verscheen, en recent voor het eerst in een buitengewoon fraai uitgevoerde en mooi geperste oplage op vinyl werd uitgebracht, is misschien nog wel mooier. Met name “The Window”, “The Gipsy Wife”, “The Smokey Life” en “The Guests” zijn van een ongelofelijke en troostrijke schoonheid. De instrumentatie met onder andere Raffi Hakopian op viool en John Bilezikjian op oed klinkt even eigen als tijdloos en traditioneel. Cohen en zijn begeleiders zetten eeuwenoude, relatief eenvoudige, melodielijnen en harmonieën volkomen naar hun hand. De teksten hebben een bij vlagen bijbels aandoende spirituele diepzinnigheid die op poëtische wijze verbonden wordt met erotische en liederlijke motieven. Het materiaal is wat abstract en ontoegankelijk en, wellicht daardoor, relatief onbekend gebleven. Dat is erg jammer, want zowel “Recent Songs” als “Field Commander Cohen” zijn naar mijn mening essentiële albums in het toch al imposante oeuvre van Leonard Cohen.

Na deze voorlopige hoogtepunten verdween Leonard Cohen van het toneel. De opvolger “Various Positions” verscheen pas in 1984 en werd aanvankelijk niet eens uitgebracht in de VS, het land waar Cohen op dat moment al bijna twintig jaar woonde. Op “Various Positions” doet de synthesizer zijn intrede. Synthesizers waren in die tijd in de mode, en werden en worden al te vaak gebruikt om een gebrek aan budget of creativiteit te maskeren. Bij Leonard Cohen is van geen van dit alles sprake; daarvoor klinkt het allemaal te beheerst en verfijnd en worden te weinig flashy effecten gebruikt. Hoewel “Various Positions” het inmiddels klassieke “Hallelujah” en “Dance me to the End of Love” bevat, maakte het album op het moment dat het uitkwam weinig indruk.

Pas met “I’m Your Man”, uit 1988, zou Leonard Cohen definitief doorbreken in de popmuziek van de jaren tachtig. Hoewel de zanger inmiddels de vijftig ruim gepasseerd was, was het album actueel en eigentijds met toegankelijke liedteksten en expliciete verwijzingen naar aids en cocaïnegebruik. De melodielijnen en harmonieën verraden onmiskenbaar Cohens joodse wortels, maar de instrumentatie heeft het geluid van de jaren tachtig. Desondanks klinkt de plaat meer dan vijfentwintig jaar na zijn verschijnen opvallend fris en tijdloos. Hoewel “I’m Your Man” naar mijn smaak net niet kan tippen aan de rijkdom van “Recent Songs” en “Field Commander Cohen” is het in zijn soort een even briljante plaat. Het album “The Future” uit 1992 bouwt voort op dezelfde vormen en instrumentatie, maar klinkt duisterder en onheilspellender.

Op de studioalbums die zouden volgen verfijnde Leonard Cohen zijn synthesizergeluid tot in de kleinste puntjes. Aan “Ten New Songs” uit 2001 kwam, afgezien van één ingedubd gitaarpartijtje, geen enkel fysiek muziekinstrument te pas. Er ontstaat een verstild en levenloos klanklandschap van eindeloos voorklikkende drumloops en blikkerige blazers uit Casio keyboards dat alle ruimte laat voor Cohens steeds doorleefdere stem en zijn poëtische teksten en voordracht die blijk geven van wijsheid en levenservaring. Het contrast met de steriele muzikale achtergrond wordt overbrugd door mooie maar eveneens enigszins verstild klinkende vrouwelijk vocalen. Het klinkt vervreemdend en blij vlagen surrealistisch, maar nooit vrijblijvend. In tegendeel; ondanks of juist dankzij alle eleketronische klanken zijn Cohens recentere platen minstens zo indringend als zijn oudere akoestische werk.

Dat Leonard Cohen dit genre werkelijk tot in de puntjes beheerst bewees hij met “Dear Heather” dat in 2004 rond zijn zeventigste verjaardag verscheen. Als geheel is het album minder evenwichtig dan zijn voorgangers, maar met “Morning Glory” en “Undertow” die hij beide eigenhandig in zijn thuisstudio programmeerde en opnam, bereikt hij nieuwe hoogten op het gebied van low-fi synthesizermuziek. De combinatie van teksten, samenzang en muziek is van een oogverblindende en hypnotiserende schoonheid. “Old Ideas” uit 2012 is evenwichtiger dan zijn voorganger, maar ook vormvaster en traditioneler. Op “Popular Problems” dat Cohen grotendeels samen met producer Partrick Leonard schreef en opnam, en waarvan het verschijnen vorig jaar samenviel met zijn tachtigste verjaardag, is er weer alle ruimte voor synthesizers en andere elektronische instrumenten. Met “Almost like the Blues” en vooral “A Street” bereikt hij aan de vooravond van het negende decennium van zijn leven opnieuw grote hoogten.

Leonard Cohen stelt alles in het werk om ruimte te laten voor waar het hem werkelijk om gaat; zijn teksten en voordracht daarvan. In die zin is de oude schrijver en dichter, die inmiddels voor uitverkochte stadions optreedt en tientallen miljoenen platen en CD’s verkocht heeft en daarmee zijn naam als popmuzikant definitief gevestigd heeft, altijd een dichter gebleven. Zelfs zijn albumtitels en hoezen zijn weinig prozaïsch. Na “Old Ideas” en “Popular Problems” zal het volgende ongetwijfeld “Quintessential Questions” of iets dergelijks heten. Naar verluid is het materiaal daarvoor grotendeels geschreven. Nu maar hopen dat deze vitale tachtiger de tijd van leven krijgt en de concentratie en inspiratie vindt om het daadwerkelijk op te nemen en uit te brengen …

Foto’s

2015-03-07 14.21.29

Het debuut van Leonard Cohen als zanger: “Songs of Leonard Cohen” uit 1967. Hier een originele Amerikaanse persing.

2015-03-07 14.27.11

Een andere klassieker uit het vroege werk van Leonard Cohen: “Songs of Love and Hate” uit 1971. Ook hier een originele Amerikaanse persing.

2015-03-07 14.29.53

Een minder bekend hoogtepunt uit het akoestische werk van Leonard Cohen: “Recent Songs” uit 1979. Opnieuw een originele Amerikaanse persing.

2015-03-07 14.41.42

Recent voor het eerst op vinyl uitgebracht: “Field Commander Cohen” dat in 1979 opgenomen werd maar pas in 2001 op CD verscheen. Geperst door Music on Vinyl in Haarlem onder licentie van Sony/Columbia.

2015-03-07 14.41.42

“I’m Your Man” uit 1988. Hier een originele Nederlandse persing.

2015-03-07 14.41.42

“Ten New Songs” uit 2001. Hier een originele Canadese persing.

2015-03-07 14.41.42

“Popular Problems” uit 2014. Hier in een Europese persing.

Elvis voor beginners

15/08/2014

Morgen is het 37 jaar geleden dat Elvis Presley overleed. Generaties muziekliefhebbers, onder wie ikzelf, zijn geboren en (muzikaal) volwassen geworden na zijn dood en vaak relatief onbekend met zijn werk. Bij velen roept de naam Elvis in de eerste plaats associaties op met tragische Las Vegas taferelen, gezette dames van middelbare leeftijd in bloemetjesjurken en met geblondeerde dertigers met witte leggings en geblondeerd en gelakt haar. Hoewel ik iedereen zijn of haar Elvis gun, doet dit beeld van kitscherige tragiek en huisvrouwenpop weinig recht aan de kwaliteit en diversiteit van zijn (beste) werk, noch aan zijn nauwelijks te onderschatten impact op de naoorlogse Amerikaanse populaire cultuur.

Door een toevallige samenloop van omstandigheden maakte ik als elfjarige in 1991 voor het eerst kennis met Elvis en zijn werk. Tot dat moment had ik veel klassieke en relatief weinig populaire muziek gehoord. Ik bekeek de wereld met de onbevangenheid van een kind en niet gehinderd door vooroordelen, ideeën over “goede smaak” en over wat wel en wat niet bij mijn (vermeende) sociale status zou passen, leerde ik Elvis’ oeuvre door en door kennen. Het werd voor mij het beginpunt voor een nog steeds doorgaande ontdekkingstocht door de Amerikaanse traditionele en populaire muziek die me, onder andere, langs Bob Dylan, Al Green, Bessie Smith, Nirvana, Miles Davis, John Denver, Janis Joplin, Stevie Wonder, Will Oldham, Tom Waits, Leonard Bernstein, Billie Holiday, Frank Sinatra, Townes van Zandt en Aron Copland zou voeren.

Voor wie de bloemetjesjurken en gelakte coupes voorgoed achter zich wil laten, is dit een poging tot een inleiding in Elvis’ werk in dertig liedjes die zijn hele carrière omvatten. Het begin in de Sun studio in Memphis, is vaak gememoreerd, dus laten we beginnen bij het einde. “Way Down” is de laatste single die tijdens Elvis leven uit kwam en die direct naar de eerste plek in de hitparades klom toen het nieuws van zijn overlijden bekend werd. De mythevorming en verwarring rondom Elvis’ laatste jaren zijn het sterkst. Veel van wat gezegd over drugsgebruik, overgewicht en andere excessen is waar, nog meer is niet waar, maar “Way Down” laat in de allereerste plaats horen dat Elvis ook in 1977 trouw aan zijn muzikale wortels bleef; Rock ’n Roll in zijn meest pure en, zeker voor een plaat uit 1977, opvallend frisse vorm. Het b-kantje “Pledging my love” is misschien nog wel mooier. Het is een relatief eenvoudig lied van zwarte origine dat onder andere door Marvin Gaye in duet met Diana Ross op de plaat werd gezet. Met zijn krachtige, volle en rijpe stem haalt Elvis er werkelijk alles uit wat erin zit.

Promised land” uit 1975 is Southern rock van het zuiverste soort. Elvis schaamt zich niet voor zijn zuidelijke tongval. In tegendeel, hij zet deze in dit lied juist een beetje extra aan. Misschien niet helemaal “en vogue” in 1975, maar Elvis was veertig en oud en wijs genoeg om te weten dat je beter van je eigen kracht uit kunt gaan, dan van wat toevallig in de mode is. Veertig jaar later doen de muzikale trends van 1975 niet meer ter zake en is dit een energieke, opzwepende uitvoering van een fantastisch lied.

lovin'armsIn Nederland en de rest van Europa verscheen “Lovin’ arms” ook als b-kantje. RCA NL 1974

Loving arms” dat in 1974 uitgebracht werd is een prachtig gezongen lied over eenzaamheid en spijt. Een countrylied van oorsprong dat iets van zwarte bezieling krijgt zonder dat het “over the top” wordt, zoals sommige mainstream countrymuziek. “Good time Charlie’s got the blues” staat op dezelfde LP en heeft dezelfde thematiek maar klinkt soberder en ingetogener. Ook “I’m leavin’” en “Where did they go Lord” passen thematisch in dit rijtje. Beide verschenen in 1971 op single, maar verder hebben ze weinig met elkaar gemeen. “I’m leavin'” was destijds een nieuw lied en heeft een melodische en harmonische complexiteit die niet direct bij Elvis muzikale wortels past. Toch weet hij het volkomen naar zijn hand te zetten en er een even indringende als indrukwekkende performance van te maken. “Where did they go Lord” is een cover. Het is een relatief obscuur lied in Elvis’ catalogus dat aanvankelijk alleen op een singletje uitgebracht werd. Het is mij dierbaar, al was het maar omdat mijn geluk niet op kon toen ik het plaatje na jaren zoeken  eindelijk vond. Het is een relatief eenvoudig countrylied dat door Elvis zeer indringend en overtuigend uitgevoerd wordt; traditionele Nashville-luchtigheid maakt plaats voor rauwe emotie en bezieling, zonder dat het ergens kitscherig wordt.

where did they go“Where did they go, Lord” was, tot het in 1995 op CD verscheen, een rariteit in Elvis’ discografie. Hier het singletje dat ik na lang zoeken vond. RCA DE 1970

Whole lot-ta shakin’ goin’ on” is een opzwepende, bijna maniakale uitvoering van de klassieker van Jerry Lee Lewis. Met dit soort nummers herdefinieeerde Elvis traditionele Rock ’n Roll in de jaren zeventig. Het verscheen in 1971 op de LP “Elvis country” waar ook het destijds nieuwe “It’s your baby, you rock it” op stond. Traditioneel en eigentijds worden door Elvis op fenomenale wijze met elkaar verbonden. Energiek en anno 2014 opvallend fris voor een lied van meer dan veertig jaar oud. “I’ve lost you” is een van de indrukwekkende ballads die Elvis in 1970 opnam om zijn publiek te laten zien dat hij, ook in muzikaal opzicht, volwassen geworden was. De recent opnieuw uitgebrachte alternatieve master (take 1) is soberder en naar mijn smaak nog mooier dan de originele singleversie.

Elvis Country“Elvis Country” uit 1971 is het laatste echt klassieke album dat Elvis uitbracht, en het enige conceptalbum. Hier een originele Amerikaanse persing met foto. RCA US 1971

1969 was een sleuteljaar in Elvis’ carrière. Na jaren slechte films en dito soundtracks uitgebracht te hebben, maakte hij eind 1968 zijn comeback op de nationale televisie. Begin 1969 moest hij ook in de studio bewijzen dat hij nog relevant was. Hij slaagde met vlag en wimpel en bracht de fenomenale LP “From Elvis in Memphis” uit. Opnieuw komen zwart en blank bij elkaar en nu op een manier die recht doet aan de ontwikkeling die blanke popmuziek en zwarte soul in de jaren zestig doorgemaakten. Luister hoe dicht “Only the strong survive” dat van oorsprong een zwart lied is en “Long black Limousine” dat een countrylied is en onder andere door Merle Haggard en Gram Parsons (met zijn Flying Burrito Bros) op de plaat werd gezet, bij elkaar liggen. Andere hoogtepunten van “From Elvis in Memphis” zijn “True love travels on a gravel road” en het vuige, bluesy “Power of my love“.

From Elvis in Memphis“From Elvis in Memphis” verscheen in 1969 en is een van Elvis’ beste platen. Hier een originele Amerikaanse persing. RCA US 1969

You’ll think of me”, eveneens uit 1969, is het lied dat mij in aanraking bracht met het werk van Elvis. Het was het b-kantje van een singletje dat in mijn moeders platenverzameling zat. Ik hoorde het als elfjarige in 1991 en was verkocht; de stem, de achtergrondzangeressen, de blazers en de charme van het lied zelf, in één woord geweldig. In de tijd waarin Mannenkoor Karrespoor het land veroverde met “Mooi man” en de CD waar dat op stond door klasgenoten driftig op cassettebandjes gekopieerd werd, had ik voor het eerst mijn muzikale “cup of tea” binnen de populaire muziek gevonden.

you'll think of meDit is het singletje van mijn moeder waar het voor mij 23 jaar geleden mee begon, en het ging me echt om het b-kantje. RCA NL 1969

Terwijl de soundtracks tussen 1966 en 1968 steeds slechter werden en ongeïnspireerder klonken, gebruikte Elvis de weinige reguliere studiotijd die tot zijn beschikking stond om zich te heroriënteren op zijn in roots in de gospel, blues en country (tegenwoordig zou dat herbronnen heten). “Guitar man” is met zijn onvervalste Mississippigeluid en dito accent ongetwijfeld het bekendst, maar “Hi-heel sneakers” doet daar zeker niet voor onder. Het is een oud Rhythm ’n Blues lied dat ook door Blue Mitchell met zijn jazz quintet voor Blue Note op de plaat werd gezet. Uit dezelfde tijd stamt “Stay Away” waarvan de melodie gebaseerd is op het oude Engelse “Greensleeves”, maar dat een indrukwekkende ode aan het landschap van het zuidwesten van de Verenigde Staten is. Niet direct het landschap van de Mississippidelta waar Elvis geboren en muzikaal gevormd werd, maar misplaatst is het allerminst.

Elvis volgde de opleving van de Folk in de jaren zestig met interesse en nam in 1966 Dylans “Tomorrow is a long time” op. Dylan noemde het ooit zijn favoriet van de vele covers die van zijn liedjes gemaakt werden. Ik kan me niet voorstellen dat Bob alles wat er van hem gecoverd wordt, beluistert, maar je hoeft niet veel gehoord te hebben om te weten dat Elvis’ uitvoering van dit lied hoge ogen gooit. Zoals veel van het vroege werk van Dylan is het een wat mysterieus en duister lied. Het arrangement is eenvoudig van opzet en het duurt meer dan vijf minuten, maar door Elvis’ fenomenale stem en zang verveelt het geen seconde. Folky, maar zonder de wat knusse gezapigheid die veel folkmuziek uit de vroege jaren zestig typeert.

Put the blame on me” kwam uit in 1961 en was zijn tijd in muzikaal opzicht ver vooruit. Pianist Floyd Cramer speelt hier orgel in plaats van piano. Dat roept (anachronistische) herinneringen op aan het muzikale idioom dat veel later door de Beatles en met name de Doors verkend werd. “Surrender” werd in 1960 opgenomen en uitgebracht en laat een Elvis horen die zich in vocaal opzicht kan meten met de grote klassiek geschoolde stemmen van deze wereld. Dit is de Elvis die Placido Domingo bedoelde toen hij in een interview zei dat “zijn (stem) de stem die hij zelf had willen hebben”. De melodie is van Italiaanse origine en, hoewel de tekst redelijk onschuldig is, geeft de dramatische medodie, het dreigende arrangement en Elvis’ stem het een gevaarlijke, haast obsessieve, dubbelzinnige ondertoon.

Such a night” staat op het fantastische album “Elvis is back” uit 1960 en is een, voor zijn tijd, expliciet lied dat door Elvis qua sensualiteit naar een hoger plan getild wordt. Luister naar de slissende s-klanken in “kisss”, “sssuch’ “lipsss” en “reminisssce”, wie krijgt het daar niet een paar graden warmer van. Op dezelfde LP staat “Reconsider baby”. Blanke blues in zijn meest pure en rauwe vorm lang voordat de Rolling Stones, Eric Clapton, Quby en de Blizzards en Herman Brood daar hun werkterrein van zouden maken.

Elvis is Back“Elvis is back” dat na zijn terugkomst uit het leger in 1960 verscheen, geldt terecht als het beste album van de jonge Elvis. Hier een vroege Duitse herpersing. RCA DE, 1960’s

A fool such as I” uit 1958 is gezongen met zoveel charisma, charme en energie dat je deze “fool” onmiddellijk alles zou vergeven. Wat mij betreft doet Elvis’ uitvoering van dit klassieke lied alle anderen vergeten. In “Hard-headed woman”, ook uit 1958, komen Dixieland en Rock’n Roll bij elkaar. Geen rokerig en smerig cafézaaltje waar een big band uit zijn dak gaat, maar opzwepende en toegankelijke Rock’en Roll met koperblazers. “One night of sin” (that’s what I’m now paying for) uit 1957 is een relatief obsure versie van het gekuisde “One night with you” (that’s what I’m now praying for) dat een klassieker werd. De begeleidingsband klinkt houterig en onwennig, maar Elvis’ vuige vocalen maken dit meer dan goed. Deze versie werd pas in de jaren tachtig voor het eerst uitgebracht. Zompige vuige zwarte blues, gezongen door een blanke jongenman die enkel vanaf zijn heupen in beeld gebracht mocht worden op de nationale televisie vanwege suggestieve begewingen met zijn onderlijf, geloof het of niet, het was schokkend èn bevrijdend in de jaren vijftig.

Uit het jaar van de grote successen 1956 zijn “Heartbreak hotel” en “Lawdy, Miss Clawdy” mijn persoonlijke favorieten. Het eerste is een eigenzinnig nummer dat Elvis’ definitieve nationale doorbraak in de Verenigde Staten bewerkstelligde. Het tweede een tamelijk wild gezongen, bluesy lied. Een ander hoogtepunt is wat mij betreft “Trying to get to you” dat in 1956 op Elvis’ eerste LP verscheen maar al in 1955 in de Sun studio werd opgenomen. Een jongeling die met ongebreideld enthousiasme een relatief eenvoudig lied naar hoger plan tilt.

elvis at Sun“Elvis at Sun” dat in 2004 verscheen was het resultaat van een uitgebreid restoratieproject dat met veel techniek, geduld en passie uitgevoerd werd. Elvis eerste professionele opnamen klonken nooit zo goed en uniform en zullen waarschijnlijk nooit beter klinken. RCA BMG/Sony US 2004

Niet het klassieke “That’s all right” dat in de zomer van 1954 in de Sun studio opgenomen werd en direct op single uit kwam, is het begin van Elvis’carrière, maar “My happiness” dat hij er een jaar eerder op eigen kosten als demo op liet nemen. Volgens de overlevering als cadeau voor zijn moeder, maar waarschijnlijk evenzeer in de hoop zich in de kijker te spelen bij Sam Phillips, oprichter en eigenaar van de Sun studio. Charme en charisma zijn reeds aanwezig, maar het is duidelijk dat het niet alleen “van God gegeven” talent was dat er toe zou leiden dat deze jongeman zonder ooit zangles te nemen zeven jaar later met zijn jaloersmakend rijke en veelzijdige stem de competitie met klassiek geschoolde zangers aan zou kunnen. Elvis wist wat hij kon en wilde en gaf blijk van een enorme ambitie, ook toen het succes al zo groot was dat het nauwelijks nog overtroffen kon worden.

Elvis was van erg eenvoudige komaf en, hoewel hij een geanimeerde, energieke en sterke persoonlijkheid had, niet erg eloquent of welbespraakt. Hij gaf zelden interviews, eenvoudigweg omdat hij niet veel te melden had en was niet altijd opgewassen tegen de culturele elite en hardnekkige vooroordelen tegen de “achtergebleven” zuidoostelijke staten van de VS. Dat wil niet zeggen dat hij geen visie of ambitie had. In tegendeel, gedurende zijn hele carrière heeft Elvis vaak blijk gegeven van een diepe passie voor de Amerikaanse populaire muziek waar hij mee opgegroeid en onlosmakelijk mee verbonden was, en van een visie op zijn eigen muzikale ontwikkeling. Noch door Elvis zelf, noch door zijn platenmaatschappij is dat erg zichtbaar voor het voetlicht gebracht, maar voor wie de tijd neemt de vele hoogtepunten uit zijn rijke oeuvre te leren kennen, is het evident. Zonder de excessen in levensstijl, de schier-eindeloze reeks slechte, smakeloze films en de schaamteloze commerciële exploitatie, die even goed deel uitmaken van het fenomeen Elvis, te willen ontkennen, is dat voor mij de essentie van wie en wat Elvis Presley was en is.

Een Spotify playlist met alle genoemde liedjes is hier te vinden